Gedragscode soortenbescherming natuurbeheer
De VBNE ontwikkelt voor haar leden de gedragscode soortenbescherming natuurbeheer. In deze gedragscode staan maatregelen waarmee terreineigenaren schade aan beschermde soorten zoveel mogelijk voorkomen bij het in stand houden van leefgebieden. Door te werken volgens de gedragscode kunnen terreineigenaren natuurbeheer uitvoeren zonder in strijd te handelen met de wet. Dit gebeurt altijd zo zorgvuldig mogelijk om verstoring van beschermde soorten te voorkomen.
Waarom een gedragscode?
In de Omgevingswet staan verbodsbepalingen ter bescherming van soorten (voorheen viel dit onder de Wet natuurbescherming). Het gaat bijvoorbeeld om het verbod beschermde dieren opzettelijk te doden of te verstoren. En om het verbod om beschermde planten te plukken of te vernielen. Natuurbeheer is gericht op het in stand houden van leefgebieden van soorten. Bij het uitvoeren van natuurbeheer kan een terreineigenaar niet altijd voorkomen dat hij in strijdt handelt met de verbodsbepalingen in de wet. Er is dan een vergunning voor het uitvoeren van een flora & fauna activiteit nodig onder de Omgevingswet. Deze kan aangevraagd worden bij de provincie. Als je werkt volgens een aangewezen gedragscode, hoef je geen vergunning aan te vragen voor maatregelen die beschreven staan in de gedragscode. Er geldt dan een vrijstelling van het overtreden van de verbodsbepalingen.
Een voorbeeld
Een voorbeeld is het maaien van rietlanden. Voor de soorten die er voorkomen is het nodig regelmatig te maaien om te voorkomen dat er bos ontstaat en hun leefgebied verdwijnt. Dit maaien gebeurt onder de gedragscode zorgvuldig, maar hierbij kunnen soms soorten worden verstoord.
Zorgvuldig werken
Voordat de beheerwerkzaamheden worden uitgevoerd, wordt er ecologisch onderzoek gedaan naar het voor komen van soorten en wordt op basis van dat onderzoek de planning opgesteld. Hierdoor vinden werkzaamheden plaats in de tijd van het jaar dat er zo min mogelijk verstoring optreed. Ook de schaal van de werkzaamheden wordt aangepast aan de voorkomende soorten. Bijvoorbeeld door randen langs watergangen niet te maaien.
Vergunning
Voor alle werkzaamheden die niet beschreven zijn in de gedragscode moet een vergunning worden aangevraagd bij bevoegd gezag. Vaak is dat de provincie. Uitzondering hierop kunnen werkzaamheden zijn die vallen onder het Natura2000 beheerplan. Verder geldt de vrijstelling alleen voor regulier beheer. Omvorming en functieverandering van natuurgebieden vallen hier niet onder en kunnen dus ook niet onder de gedragscode worden uitgevoerd.
Goedkeuring nieuwe gedragscode
Sinds 2020 werkte VBNE samen met haar leden aan de nieuwe gedragscode natuurbeheer. Door extra regels die opgelegd worden voor de bescherming van bepaalde soorten, is het lastig gebleken om tot overeenstemming te komen over de maatregelen in de nieuwe gedragscode. Met deze maatregelen moeten beheerders namelijk habitats in stand kunnen houden, soorten kunnen beschermen én de maatregelen moeten uitvoerbaar zijn in de natuurbeheerpraktijk.
Dit resulteerde in de 2025-versie van de Gedragscode Soortenbescherming Natuurbeheer die door de staatssecretaris van LVVN per 1 april 2025 is aangewezen.
Werken volgens de gedragscode
De gedragscode soortenbescherming natuurbeheer omvat de volgende beheerwerkzaamheden:
- begrazen van natuurterreinen,
- beheren van akkers,
- schonen en baggeren van waterlopen
- schonen en baggeren van kleine wateren
- omzagen en afzetten van houtige landschapselementen
- branden van heide
- plaggen, chopperen, maaien en strooiselvegen van heide, stuifzanden en kustduinen
- maaien van rietland in de habitattypen veenmoeras, dynamisch moeras en rivier- en moeraslandschap
- maaien van overig rietland
- beheer van weidevogelgrasland
- beheer van kruidenrijke gras- en hooilanden
Totstandkoming Gedragscode 2025
Bij het opstellen van de Gedragscode Soortenbescherming Natuurbeheer is samengewerkt met de soortenorganisaties in het opstellen van de voorzorgsmaatregelen. Daar waar een andere voorzorgsmaatregel is opgenomen dan in het Reikwijdtedocument van RVO is voorgeschreven, is aanvullende expertise gevraagd aan de volgende soortenorganisaties:
- Vogelbescherming:
Veenmosrietlanden en kritische rietvogels w.o. de grote karekiet - Zoogdiervereniging:
Noordse woelmuis bij maaibeheer in rietlanden en graslanden - De Vlinderstichting:
Veenmosrietlanden en beschermde dagvlinders van rietlanden
Bijzondere graslanden en beschermde dagvlinders - RAVON:
Reptielen bij chopperen en plaggen
Amfibieën en reptielen bij maaibeheer in graslanden - SEVON:
Vliegroutes bij afzetten/dunning
De vraagstelling is geformuleerd in overleg met RVO en de beantwoording heeft geleid tot aanpassing van de voorzorgsmaatregelen in de Gedragscode.
Balans tussen soorten- en habitatbescherming
Om verstoring van beschermde soorten te voorkomen, werken beheerders zo zorgvuldig mogelijk volgens de gedragscode. In de gedragscode moet een balans gevonden worden tussen de bescherming van soorten en individuen van soorten aan de ene kant; en de bescherming van habitats – en daarmee het voortbestaan van populaties van soorten – aan de andere kant. Het bleek ingewikkeld om met de juridische bescherming van soorten te komen tot een gedragscode die ook de habitats voldoende zou beschermen en daarmee de soorten op langere termijn.
Met de aanwijzing per 1 april 2025 is er voor de komende vijf jaar richting bepaald hoe met dit spanningsveld om te gaan. Daar waar de gedragscode voor het uitvoeren van specifieke beheermaatregelen onvoldoende ruimte biedt, dient een vergunning aangevraagd te worden bij het bevoegd gezag (meestal de provincie). In die vijf jaar zal een evaluatie van de gedragscode plaatsvinden waarmee input wordt verzameld voor een volgende gedragscode.
Bijlage A: werk-protocol
De ecologisch deskundige vult dit werkprotocol in vóór aanvang van de werkzaamheden.
Webinar 8 apr 2025
In dit webinar hebben we de verschillen tussen oude en nieuwe versie gedragscode toegelicht.
Bijlage B: lijst beschermde soorten Omgevingswet
Beschermde dier- en plantensoorten
Omgevingswet
Veel gestelde vragen
Algemeen
Hoe lang is de GSN geldig?
Een gedragscode is geldig voor vijf jaar na aanwijzing door de staatssecretaris in de Omgevingsregeling. Voor de GSN is dit van 1 april 2025 tot en met 31 maart 20230, zoals gepubliceerd in de Staatscourant.
Waar moet de ecologisch deskundige aan voldoen?
Een ecologische deskundige is een persoon die ecologisch advies verstrekt of werkzaamheden begeleidt op het gebied van habitats en soorten. En die schriftelijk aantoonbare ervaring en specifieke ecologische kennis heeft.
RVO geeft de volgende deskundigheidseisen:
De ecologische deskundige heeft voldoende kennis en jarenlange ervaring om ecologisch onderzoek te kunnen doen. Hij of zij:
• (her)kent de functionaliteit van leefgebieden van beschermde soorten;
• heeft kennis van de algemeen erkende onderzoeksmethoden;
• kan ecologische werkprotocollen opstellen;
• kan specifieke werkzaamheden begeleiden.
Zijn alle beschermde soorten opgenomen in de GSN?
Voor zover de habitat van beschermde soorten geheel of gedeeltelijk in natuurterrein ligt, vallen ze onder de werking van de GSN. Als je volgens de GSN werkt en de betreffende beschermde soorten komen voor, dan is een ontheffing niet nodig.
In bijlage B van de GSN zijn alle soorten opgenomen die onder de GSN vallen.
Waarom werken we volgens een gedragscode?
In de Omgevingswet staat verbodsbepalingen ter bescherming van soorten. Bij het uitvoeren van natuurbeheer kun je niet altijd voorkomen dat je in strijd handelt met de verbodsbepalingen uit de wet. Als je werkt volgens de gedragscode hoef je geen vergunning aan te vragen voor de maatregelen die beschreven staan in de gedragscode. Daarnaast vervult de gedragscode de borging van zorgvuldig werken. Los van de regelgeving betekent zorgvuldig werken volgens de gedragscode dat je zo min mogelijk populaties van beschermde soorten benadeeld en daarmee optimaal werkt om de biodiversiteit op peil te houden.
Voor welke werkzaamheden geldt de gedragscode?
De Gedragscode Soortenbescherming Natuur-beheer bestaat uit tien beheermaatregelen:
1. Begrazen van natuurterreinen
2. Beheren van akkers
3. Schonen en baggeren van waterlopen
4. Schonen en baggeren van kleine waterlopen
5. Omzagen en afzetten van houtige landschapselementen
6. Plaggen, chopperen, maaien en strooiselvegen van heide, stuifzanden en kustduinen
7. Kleinschalig branden van heide
8. Maaien van rietland
9. Beheer van weidevogelgebieden
10. Beheer van kruidenrijke gras- en hooilanden
Hoe verhoudt de GSN zich tot andere wetgeving?
De GSN waarborgt dat je als beheerder bij de uitvoering van regulier natuurbeheer zorgvuldig handelt ten aanzien van alle beschermde soorten die in natuurgebieden kunnen voorkomen. Daarnaast geldt in natuurgebieden natuurlijk ook andere wet- en regelgeving. Bijvoorbeeld de bescherming van houtopstanden onder de Omgevingswet en de bescherming van cultuur-historische elementen door de Omgevingswet. Als beheerder moet je tijdens natuurbeheer met al deze aspecten rekening houden. De regels in de GSN hebben alleen betrekking op beschermde soorten.
Mogen er andere gedragscodes ingezet worden voor natuurbeheer?
Bij het toepassen van een gedragscode is het altijd zaak de juiste gedragscode voor de specifieke situatie te kiezen. Niet elke gedragscode is door iedereen toe te passen of mag voor alle situaties worden toegepast. In de GSN is één heel specifieke verwijzing opgenomen naar de gedragscode van de Unie van Waterschappen voor het schonen van sloten en waterlopen. Deze verwijzing is opgenomen omdat het schouwen van watergangen die onder de Keur vallen soms niet kan volgens de voorzorgs-maatregelen uit de GSN, bijvoorbeeld wat betreft het sparen van bepaalde percentages vegetatie, bij baggerwerk en sterk verlande sloten. Zie hiervoor paragraaf 2.3.2 subdeel ‘Onderhoudsplichtigen’ in de gedragscode van de Unie van Waterschappen.
Werkprotocol natuurbeheer
Hoe moet ik het werkprotocol invullen en ondertekenen?
De ecologisch deskundige vult het werkprotocol voorafgaand aan de werkzaamheden in. De aannemer (uitvoerder) en beheerder (opdracht-gever) ondertekenen beiden het werkprotocol. Het ondertekende werkprotocol moet tijdens de uit-voering ter plekke aanwezig zijn (in alle machines en in de schaftgelegenheid). De beheerder bewaart het werkprotocol – en bijbehorende kaarten en inventarisatiegegevens – minimaal 2 jaar. Zie bijlage A in de GSN
Wat moet ik invullen bij wettelijk belang in het werkprotocol?
In de Omgevingswet (voorheen Wet natuurbescherming) staat dat je alleen met de GSN mag werken als je werkzaamheden uitvoert die onderstaande wettelijke belangen dienen. Dit betekent dat de reguliere beheerwerkzaamheden die je uitvoert nodig zijn voor een of meerdere van deze doelen. In het werkprotocol kruis je aan welke van toepassing is en geef je een korte toelichting. Als er beschermde vogelsoorten in je werkgebied voorkomen, dan kan je alleen een beroep doen op het belang ‘ter bescherming van de (wilde) flora en fauna’. Voor andere beschermde soorten kan je ook de andere belangen aankruisen. Hieronder geven we een aantal voorbeelden:
• ter bescherming van (wilde) flora en fauna: onder dit belang vallen alle werkzaamheden waarmee je (wilde) flora en fauna beschermt. Bijvoorbeeld het beheren van mantel- en zoomvegetaties voor vlinders als de bruine eikenpage, het periodiek schonen van poelen als voortplantingsgebied van boomkikkers en kamsalamanders, het maken van kale plekjes op de heide voor voortplanting van zandhagedis of het aanleggen van broeihopen voor ringslang;
• voor het in stand houden van de natuurlijke habitats: dit belang zal in de meeste gevallen van toepassing zijn. Door gericht beheer voorkomen we dat essentiële habitatelementen verdwijnen en realiseren we structuur en variatie en daarmee een diversiteit aan habitats waarin verschillende dieren en planten leven. Bijvoorbeeld heideterreinen waar we te veel boomopslag verwijderen en oude en jonge heiden worden afgewisseld met grazige en zandige delen. Deze structuurelementen vormen leefgebied van verschillende bescherm-de soorten en worden dus in stand gehouden;
• bestendigbeheer in het kader van natuurbeheer: een heide, riet- of grasland dat niet voldoende beheerd wordt, ontwikkelt zich richting ruigte en bos. En kleine wateren groeien dicht. Zonder bestendig beheer verdwijnen daarmee habitats die essentieel zijn voor het duurzaam voort-bestaan van populaties van beschermde soorten;
• in het belang van de openbare veiligheid en de volksgezondheid: dit belang betreft beheerwerkzaamheden die veiligheidsrisico’s beperken. Natuurbeheerders dragen bij aan het verkleinen van veiligheids-risico’s in hun terreinen. De aanleg van zandige stroken in vergraste heideterreinen vergroot bijvoorbeeld de biodiversiteit en verkleint tegelijkertijd de kans op een onbeheersbare natuurbrand. Daarnaast is natuur van groot belang voor de volksgezondheid als bron van ontspanning, beweging en welzijn;
• bestendig beheer in het kader van onderhoud van landschappelijke kwaliteiten van een gebied: door het beheren van landschapselementen – zoals heggen, lanen en poelen – dragen we bij aan de landschappelijke kwaliteiten van een gebied. Zonder beheer verdwijnen deze kwaliteiten. In andere gebieden is de openheid van het landschap een landschappelijke kwaliteit die behouden blijft.
Zie pagina 10-11 in de GSN
Hoe ga je om met niet-regelmatig geïnventariseerde soorten?
Voor soortgroepen die niet regelmatig geïnventari-seerd worden is het aan te bevelen er standaard rekening mee te houden dat ze voorkomen, in plaats van te inventariseren of ze op dat moment aanwezig zijn. Denk aan het standaard rekening houden met boomholten in plaats van het uitvoeren van een vleermuisinventarisaties. Of aan het rekening houden met burchten zonder de aanwezigheid van bewoners te checken.
Vallen Rode Lijst-soorten ook onder de GSN?
Voor Rode Lijst-soorten geldt de Algemene en Specifieke soortplicht. Jurisprudentie moet nog uitwijzen wat dat precies inhoudt qua onderzoeks-plicht. Daar waar Rode Lijst- en VHR-soorten (in bijlage B van de GSN) overlappen vallen ze onder de specifieke maatregelen van de GSN.
Hoe oud mogen de gegevens van beschermde soorten zijn voor het vooronderzoek?
De gegevens moeten actueel zijn wat in de in de Omgevingsregeling in artikel 7, lid 197J omschreven als volgt: gegevens waarvan de jongste gegevens niet ouder zijn dan drie jaar, of korter als in de periode tussen het onderzoek en de aanvraag de locatie en het gebied rondom de locatie waarop de activiteit wordt verricht ingrijpend zijn gewijzigd.
In verband met kwetsbare soorten en soorten die eerder wel voorkwamen, maar recent niet meer zijn gezien; is het verstandig om ook naar oudere gegevens te kijken.
Hoe werk je met de werkkalenders?
• Werk je in de gele periode dan zijn de standaard voorzorgsmaatregelen voldoende, leg dit vast in het werkprotocol.
• Werk je in de oranje periode dan gelden er extra voorzorgsmaatregelen, meestal in de vorm van gefaseerd beheer. Werken in de oranje periode kan regelmatig nodig zijn, bijvoorbeeld als je wilt verschralen. Ook kan het nodig zijn door specifieke terreinomstandigheden, zoals natte omstandigheden waardoor bepaalde werkzaamheden in de wintermaanden niet uit te voeren zijn.
• Werk je in de rode periode, dan bestaan de extra maatregelen meestal uit het geheel ontzien van essentiële verblijfplaatsen van soorten. Rode periodes zijn aangegeven voor verschillende soortgroepen, in periodes dat essentiële onderdelen van hun leefgebied (zoals nesten, holten, burchten e.d.) extra kwetsbaar zijn. Bij aanwezigheid van de das betekent dit bijvoorbeeld dat in de rode periode niet gewerkt wordt bij de burchten, maar elders in het gebied wel gewerkt kan worden.
Zijn de werkkalenders hetzelfde als andere gedragscodes, zoals die van Stadswerk?
Iedere gedragscode heeft specifieke werkkalenders, gebaseerd op het type terrein en de specifieke omstandigheden die voor kunnen komen. Op het moment van schrijven is er nog geen aangewezen gedragscode van Stadswerk beschikbaar.
Hoe toon je aan dat er zorgvuldig gewerkt wordt?
Ook bij afwezigheid beschermde soorten is het aan te bevelen om een werkprotocol in te vullen, zodat je aantoont dat je onderzoek naar beschermde soorten hebt gedaan. Uiteraard hoeft dan slechts klein deel van het werkprotocol in gevuld te worden.
Hoe werkt het met de minimaal te sparen percentages?
Tenzij anders aangegeven gelden de percentages die genoemd worden bij maatregelen voor aaneen-gesloten natuurgebieden. Niet op ieder afzonderlijk perceel moet dus dit percentage blijven staan; dat mag op gebiedsniveau. Uitgangspunt is dat binnen een bepaald gebied voldoende geschikt habitat overblijft voor populaties van beschermde soorten. Het gebied blijft functioneel voor de soort. Je kan een perceel in een werkgang geheel maaien om te verschralen, als je op een ander perceel maar voldoende laat staan. Bij meerdere maaibeurten in het jaar hoef je niet steeds hetzelfde stuk niet te maaien bij een maaibeurt, tenzij aangegeven zoals bij Noordse woelmuis.
Hoe is de broedperiode gedefinieerd in de GSN?
In de GSN wordt de broedperiode omschreven als “De periode die van belang is voor de voortplanting van vogels. Dezelfde periode is ook van belang voor de voortplanting van veel andere diersoorten. Wanneer een vogel broedt, is afhankelijk van de soort, locatie en weersomstandigheden en kan het hele jaar door plaatsvinden. Het is aan de gebruiker van de Gedragscode om, op basis van bij een ecologisch deskundige ingewonnen informatie, de begin- en/of einddatum voor de broedperiode te bepalen per soort. Zodra de vogels voortplantingsgedrag vertonen (bijvoorbeeld nestbouw) vangt de broedperiode aan.” Het is aan de gebruiker van de Gedragscode om dit te beoordelen, op basis van bij een ecologisch deskundige ingewonnen informatie.
Maatregelen
Zijn er ook verplichte maaihoogtes in de gedragscode opgenomen?
In de GSN zijn geen maaihoogtes opgenomen, maar is gewerkt met minimaal niet te maaien oppervlak-tes. Dit in afstemming met de soortenorganisaties. In het natuurbeheer is het erg complex een minimale maaihoogte te garanderen: natuurterrei-nen zijn zelden egaal en het is dan ook niet uit te sluiten dat er incidenteel lager gemaaid zou worden; als een wiel door een kuil rijdt bijvoorbeeld. De minimaal niet te maaien oppervlaktes geven hetzelfde effect voor betreffende soorten.
Waarom is er wel een snelheidsbepaling voor maaien (met de essentie dat soorten kunnen ontsnappen) als er geen restrictie is in relatie tot temperatuur (mobiliteit insecten)
De maximale maaisnelheid is bedoeld voor andere soortgroepen dan insecten. Voor insecten is de minimaal niet te maaien oppervlakte de belang-rijkste maatregel.
Geldt de max. 7 km/uur maaisnelheid ook voor N10.01 Nat schraalland?
Ja, de maaisnelheid van maximaal 7 km/uur is van toepassing op alle beheertypen die beheerd worden volgens maatregel 9 Beheer van weidevogelgebieden.
Indien er pachters in een natuurgebied zijn: hoe en wat is er afgesproken m.b.t. maaibeheer op productiegrond?
De GSN gaat over de maatregelen die nodig zijn om natuurbeheer uit te voeren. Hoe verpachter en pachter hier afspraken over maken is niet in de GSN geregeld; de pachter kan worden gezien als ‘aannemer’ waarbij de verpachter gezien kan worden als ‘beheerder’. Het staat verpachters natuurlijk vrij de gedragscode van toepassing te verklaren bij het werken op het verpachte areaal. Leg hierbij afspraken, rollen en taken goed vast.
Waar is de 5% bij het beheer van kruidenrijke gras- en hooilanden op gebaseerd?
De 5% minimaal niet te maaien oppervlakte terrein, bij een areaal groter dan 5 ha (minimum te sparen 0,5 ha) is afgestemd met de soortenorganisaties. Dit is een voorzorgsmaatregel die beter bij natuur-beheer past dan een minimale maaihoogte, maar wel hetzelfde beoogt: voldoende insecten (ongeacht in welk stadium) sparen.
Vallen de schouwpaden zelf ook onder deze gedragscode?
Als de schouwpaden in het natuurgebied liggen, dan vallen deze ook onder de GSN. Hiervoor gelden dan de maatregelen van dat specifieke beheer. Bijvoorbeeld maatregel 8 of maatregel 10.
Het verwijderen van opslag op heideterreinen, waar valt dit onder?
Het verwijderen van kleine zaailingen die meege-nomen worden bij plaggen, chopperen, maaien en strooisel vegen van heiden vallen onder maatregel 6. Overige (wat grotere) opslag valt onder maatregel 5: omzagen en afzetten van houtige landschapsele-menten.
Neem hierbij altijd de voorzorgsmaatregelen in acht:
• Voer altijd de algemene voorzorgsmaatregelen uit (hoofdstuk 6).
• Maak gebruik van aanwezige vaste wegen, paden en sporen.
• Zet per natuurgebied – of per landschap met bijvoorbeeld polderkaden en houtsingels – niet meer dan 30% per jaar af. Zo blijft voldoende struweel over voor bijvoorbeeld broedgelegen-heid voor vogels. De ecologisch deskundige bepaalt wat voldoende is.
• Zorg dat geen bomen of takken terechtkomen op broeihopen of bekende overwinteringsplaatsen van reptielen en amfibieën.
• Behoud voor mogelijke overwinteringsplaatsen van reptielen en amfibieën de strooisellaag en het aanwezige blad in een deel van het landschapselement.
• Rij niet met zware machines over de strooisel-laag, aanwezige of specifiek voor fauna gemaakte takkenhopen en reeds aanwezige liggende dode bomen dikker dan 30 cm waar beschermde reptielen en amfibieën te verwachten zijn.
• Rij in voortplantingsgebieden van beschermde dagvlinders niet over groeiplaatsen van houtige waardplanten van deze beschermde vlinders heen. Zorg bij het afzetten dat er, indien aan-wezig, voldoende van deze houtige waardplant-en voor beschermde vlindersoorten behouden blijven.
• In de oranje en rode periode gelden er andere voorzorgsmaatregelen.
Handmatig verwijderen van opslag bijvoorbeeld door vrijwilligers valt onder de reguliere zorgplicht. Een check op aanwezigheid van beschermde soorten is dan aan te bevelen, evenals werken conform maatregel 5. Opslag verwijderen kan zowel inheemse soorten als exoten betreffen.
Is er een advies voor veldonderzoek voor o.a. weidevogels?
Voor het veldonderzoek naar de aanwezigheid van weidevogels wordt verwezen naar de BMP-telling of de broedvogelkartering en de daarbij behorende voorzorgsmaatregelen. In geval van voorlopen is dit gestoeld op de ervaring van de voorloper om verstoring te voorkomen.
Is de kwetsbare periode bij het beheer van weidevogelgrasland verlengd?
De rode periode (voorheen: kwetsbare periode) is inderdaad verlengd tot 15 juli. In de vorige GSN was dit 15 juni.
In welke periode kan ik het beheer van houtige landschapselementen uitvoeren? Bijna het hele jaar is rood.
De werkkalender geeft de indruk dat de periode voor uitvoer van deze maatregel erg kort is. De rode periode voor zoogdieren (das, slaapmuizen en vleermuizen) betekent dat je extra zorgplicht hebt voor de verblijfplaatsen van deze zoogdieren, zoals de burchten van dassen en de boomholten voor vleermuizen. Deze bevinden zich meestal maar op een enkele plek in de landschapselementen. Dit betekent dat zolang deze elementen worden ontzien, er wel in de rode periode voor deze soorten beheer uitgevoerd kan worden.
Wat moet ik doen bij aanwezigheid van de das?
Dassenburchten moeten worden ontzien. Deze locaties zijn meestal bekend en anders goed herkenbaar. Zet deze ruim af en werk hier niet in de rode periode. Werkzaamheden rond actief gebruikte dassenburchten kunnen wel in de oranje periode (juni – november).
Wat moet ik doen bij aanwezigheid van de boomkikker?
Voor de boomkikker is maar een korte gele periode aangegeven. Dit kan voor houtige landschapsele-menten in natte terreinen waar de boomkikker voorkomt knellen met de praktische uitvoerbaarheid van werkzaamheden en met de aanwezigheid van andere beschermde soorten. In dit soort omstandig-heden is het aanvragen van een vergunning het beste alternatief.
Hoe werkt het bij afzetten als er sprake is van vleermuizen?
Naast rekening houden met holtes in bomen (niet vellen/afzetten), vormen de essentiële vliegroutes een belangrijk aandachtspunt. Hierin mogen geen gaten in het kronendak ontstaan groter dan 25 meter. Als je er standaard van uitgaat dat een opgaand element een essentiële vliegroute is en hier rekening mee houdt, is een aanvullende inventarisatie niet nodig. Bij afzetten maak je dan geen gaten groter dan 25 meter: veel overstaanders. Als er sprake is van een kleinschalig landschap met een netwerk aan landschapselementen, is een enkel landschapselement geen essentiële vliegroute. Een inschatting van een ecologisch deskundige is hiervoor voldoende. In open landschap met maar weinig landschapselementen, kunnen dubbele elementen om-en-om afgezet worden. Hierdoor blijft de vliegroute gehandhaafd en is de 25 meter niet van toepassing.
Het branden van heide is een ruimtelijk ingreep, wat houdt dit in?
Het branden van heide is wel toegevoegd aan de GSN, maar als ruimtelijke ingreep. Naast een komende informatieplicht is deze beheermaatregel alleen in te zetten voor een zeer beperkt aantal soorten: alleen voor de ringslang geldt namelijk een vrijstelling van de verbodsbepalingen. Omdat op de heide altijd andere beschermde soorten voorkomen is de gedragscode op dit moment voor het branden van heide niet toepasbaar. Waar beheerbranden op de heide worden ingezet, kan dit (in Natura2000-gebieden) via het Natura2000-beheerplan en is het daarmee vergunningsvrij wat betreft soortenbescherming. Voor branden kan alsnog een vergunning van de gemeente nodig zijn. In VBNE-verband wordt in overleg met LVVN gekeken hoe dit wel toepasbaar te krijgen is in de gedragscode.
Lees verder
Werkgroep Gedragscode natuurbeheer
– Gerard van Looijengoed (VBNE)
– Houdijn Beekhuis (Staatsbosbeheer)
– Jaap Bouwman (Bosgroepen)
– Mirjam Broekmeijer (Bosgroepen)
– Allard van Leerdam (Staatsbosbeheer)
– Astrid Medema (Staatsbosbeheer)
– Kristian van Oene (Natuurmonumenten)
E-learning
Hét e-learningplatform voor medewerkers en vrijwilligers van natuurorganisaties. In korte modules leer je meer over werken in de natuur.
Meer onderzoek naar natuur

Natuurkennis.nl is de
meest complete kennisbank
met onderzoek en
praktisch advies over
bos- en natuurbeheer.