Search
Close this search box.
Search
Close this search box.

Gedragscode soortenbescherming bosbeheer

De VBNE ontwikkelt voor haar leden de Gedragscode soortenbescherming bosbeheer. Hierin staan maatregelen waarmee terreineigenaren schade aan beschermde soorten zoveel mogelijk voorkomen. Door volgens de gedragscode te werken kunnen terreineigenaren bosbeheer uitvoeren zonder in strijd te handelen met de wet.

Waarom een gedragscode?

In de Wet natuurbescherming, die per 1 januari 2024 op is gegaan in de Omgevingswet, staan verbodsbepalingen ter bescherming van soorten. Het gaat bijvoorbeeld om het verbod beschermde dieren te doden of opzettelijk te verstoren. En om het verbod om beschermde planten te plukken of te vernielen. Bij het uitvoeren van bosbeheer kan een terreineigenaar niet altijd voorkomen dat hij in strijdt handelt met deze verbodsbepalingen. Er is dan een ontheffing van de Wet natuurbescherming van de provincie nodig om deze werkzaamheden te mogen uitvoeren.

Bosbeheer is van belang voor bijvoorbeeld de bescherming van wilde flora en fauna en voor de instandhouding van natuurlijke habitats. Daarom geldt er een vrijstelling van de verbodsbepalingen voor terreineigenaren die werken volgens een goedgekeurde gedragscode. Als je werkt volgens een goedgekeurde gedragscode, hoef je geen ontheffing aan te vragen.

Zorgvuldig handelen

De Gedragscode soortenbescherming bosbeheer waarborgt dat een terreineigenaar bij de uitvoering van reguliere boswerkzaamheden schade aan beschermde soorten zoveel mogelijk voorkomt. In de gedragscode staat welke reguliere boswerkzaamheden je onder de gedragscode mag uitvoeren en welke stappen je hiervoor moet doorlopen. In de gedragscode staan gedragsregels waar je je bij de uitvoering van deze werkzaamheden aan moet houden.

Werkprotocol

Voorafgaand aan de uitvoering doet een ecologisch deskundige een inventarisatie en terreinbezoek. Aanwezige beschermde soorten en flora en fauna elementen – zoals een mierenhoop of broeihoop – legt deze deskundige vast in het werkprotocol. Ook de geldende gedragsregels en andere afspraken komen in dit werkprotocol te staan. De beheerder en aannemer – die het werk uitvoert – ondertekenen het werkprotocol. Je bewaart het werkprotocol 2 jaar, zodat je deze indien nodig kan laten zien aan de provincie. De provincie is verantwoordelijk voor handhaving van de Wet natuurbescherming. We adviseren om ook vast te leggen als je geen beschermde soorten hebt aangetroffen.

Vraag & antwoord

De Gedragscode soortenbescherming bosbeheer is een juridisch instrument. Mogelijk heb je bij het lezen van de gedragscode vragen over wat een tekst of gedragsregel precies betekent. VBNE heeft een ‘veelgestelde vragen’ lijst ontwikkeld (zie hieronder). Staat jouw vraag er niet tussen? Neem dan gerust contact op met VBNE!

Gedragscode

Gedragscode soortenbescherming bosbeheer 2022

Veelgestelde vragen

Veelgestelde vragen | Algemeen

Antwoord

De gedragscode Bosbeheer is vanaf 17 augustus 2022 – de datum van het goedkeuringsbesluit van de minister – vijf jaar geldig. Na drie jaar voert VBNE een evaluatie uit onder gebruikers.

Antwoord

Voor gedragscodes die goedgekeurd zijn onder de Wet natuurbescherming geldt het overgangsrecht. Dit betekent dat deze gedragscodes geldig blijven voor de vastgestelde termijn. Onder de Omgevingswet worden een aantal andere nieuwe onderdelen verplicht: informatieplicht, evaluatie, participatie en mogelijk monitoring. Als het duidelijk is wat deze nieuwe onderdelen betekenen voor de bosbeheersector en hierover afspraken zijn gemaakt met LNV en/of de provincies, zal VBNE in overleg met RVO toewerken naar de omzetting van de GSB onder de Omgevingswet. 

Antwoord

Er zijn zes beroepen aangetekend tegen het goedkeuringsbesluit van de GSB. Alleen wanneer bezwaarmakers bij de rechter in een voorlopige voorzieningsprocedure een schorsing van het goedkeuringsbesluit vragen en de rechter dat verzoek toekent vervalt de werking van een gedragscode gedurende de schorsingsperiode. Dit is voor de GSB niet gebeurd. De GSB is daarom gewoon geldig tot de rechter een uitspraak doet over de ingediende beroepen. De rechtszaak wordt verwacht in de loop van 2024. 

Antwoord

De volgende definitie van ecologisch deskundige is in de nieuwe gedragscode opgenomen:
“een persoon die ecologisch advies verstrekt of werkzaamheden begeleidt op het gebied van- habitats en soorten en die schriftelijk aantoonbare ervaring en specifieke ecologische kennis heeft.” Dit kan dus ook gaan om een persoon die al jarenlang inventarisaties uitvoert, maar niet per se een ecologische opleiding heeft gedaan. De jarenlange ervaring moet wel aantoonbaar zijn vastgelegd, bijvoorbeeld in een C.V. Op de website van de RVO staat dezelfde definitie, aangevuld met wat een ecologisch deskundige moet kunnen:

  • (her)kent de functionaliteit van leefgebieden van beschermde soorten;
  • heeft kennis van de algemeen erkende onderzoeksmethoden;
  • kan ecologische werkprotocollen uitwerken;
  • kan specifieke maatregelen begeleiden.

Antwoord

Voor zover het habitat van beschermde soorten geheel of gedeeltelijk in bos ligt, vallen ze onder de werking van de GSB. Als je volgens de GSB werkt en de betreffende beschermde soorten komen voor in het bos, dan is een ontheffing niet nodig. Enkele bijzondere beschermde soorten vallen niet onder de GSB. Dit zijn wolf, lynx, vuursalamander, geelbuikvuurpad, vroedmeesterpad en knoflookpad. In bijlage B van de GSB zijn alle soorten opgenomen die onder de GSB vallen.

Antwoord

Soorten als gewone pad, bruine kikker, vos en ree vallen onder de bescherming van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Provincies kunnen echter een generieke vrijstelling verlenen voor bepaalde soorten, als die veelvuldig – en duurzaam – in hun provincie voorkomen. Dit heeft geleid tot provinciale vrijstellingslijsten. Sommige soorten zijn ook in bepaalde provincies in bepaalde perioden vrijgesteld, bijvoorbeeld eekhoorn, hazelworm en levendbarende hagedis in provincie Limburg. Voor vrijgestelde soorten hoeft niet gewerkt te worden met de GSB.

Een overzicht van de vrijgestelde soorten per provincie is hier te vinden: https://habitus.nl/vrijgesteldesoorten 

Antwoord

De GSB waarborgt dat je als beheerder bij de uitvoering van reguliere boswerkzaamheden zorgvuldig handelt ten aanzien van alle beschermde soorten die in bossen kunnen voorkomen. Daarnaast geldt in bossen natuurlijk ook andere wet- en regelgeving. Bijvoorbeeld de bescherming van houtopstanden onder de Omgevingswet en de bescherming van cultuurhistorische elementen door de Erfgoedwet. Als beheerder moet je tijdens bosbeheer met al deze aspecten rekening houden. De regels in de GSB hebben alleen betrekking op beschermde soorten.

Veelgestelde vragen | Werkprotocol

Antwoord

De ecologisch deskundige vult het werkprotocol voorafgaand aan de werkzaamheden in. De aannemer (uitvoerder) en beheerder (opdrachtgever) ondertekenen beiden het werkprotocol. Het ondertekende werkprotocol moet tijdens de uitvoering ter plekke aanwezig zijn (in alle machines en in de schaftgelegenheid). De beheerder bewaart het werkprotocol – en bijbehorende kaarten en inventarisatiegegevens – minimaal 2 jaar.
Zie bijlage A in de GSB

Antwoord

In de Omgevingswet (voorheen Wet natuurbescherming) staat dat je alleen met de GSB mag werken als je werkzaamheden uitvoert die onderstaande wettelijke belangen dienen. Dit betekent dat de reguliere boswerkzaamheden die je uitvoert nodig zijn voor een of meerdere van deze doelen. In het werkprotocol kruis je aan welke van toepassing is en geef je een korte toelichting. Als er beschermde vogelsoorten in je werkgebied voorkomen, dan kan je alleen een beroep doen op het belang ‘ter bescherming van de (wilde) flora en fauna’. Voor andere beschermde soorten kan je ook de andere belangen aankruisen. Hieronder geven we een aantal voorbeelden:

  • ter bescherming van de (wilde) flora en fauna: onder dit belang vallen alle werkzaamheden waarmee je (wilde) flora en fauna beschermd. Om soorten te beschermen kan het nodig zijn om bepaalde boomsoorten in te brengen of juist te verwijderen. Denk bijvoorbeeld aan het bestrijden van invasieve exoten die inheemse soorten verdringen;
  • voor het in stand houden van de natuurlijke habitats: dit belang zal in de meeste gevallen van toepassing zijn. Met het in stand houden van natuurlijke habitats bedoelt de wet dat het leefgebied van verschillende beschermde dieren en planten in het bos behouden blijft. Door boswerkzaamheden uit te voeren waarmee je structuur en variatie creëert, draag je hieraan bij. Het kan gaan om het maken van open plekken of het behouden van een bepaald bostype voor specifieke soorten, zoals hakhoutbeheer. Ook het realiseren van gevarieerde bossen die klimaatbestendig zijn valt hieronder. Daarmee zorg je namelijk dat natuurlijke habitats ook in de toekomst in stand blijven;
  • ter voorkoming van ernstige/belangrijke schade aan bossen: bij ernstige/belangrijke schade aan bossen kan je denken aan bossen die te kampen hebben met droogte en aangetast zijn door letterzetter of andere ziektes en plagen. Boswerkzaamheden die je uitvoert om belangrijke schade te voorkomen vallen onder dit belang;
  • in het belang van de openbare veiligheid en de volksgezondheid: dit belang betreft boswerkzaamheden die veiligheidsrisico’s beperken. Dit kan zijn het omvormen van monocultuur naaldhout tegen brandgevaar, het stimuleren van bosvariatie tegen stormkwetsbaarheid en het preventief weghalen van dood hout langs wegen en paden. De vele ecosysteemdiensten die bossen leveren hebben een positieve invloed op de volksgezondheid: CO2 opslag, fijnstof afvang, schoon water, een gezonde leefomgeving en recreatiemogelijkheden. In zeker zin dragen boswerkzaamheden dus ook bij aan de volksgezondheid;
  • andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van economische redenen: van dit belang zal in het reguliere bosbeheer niet vaak sprake zijn. Onder groot openbaar belang wordt bijvoorbeeld verstaande de aanleg van een Rijksweg of grensoverschrijdend bedrijventerrein.
    Zie pagina 14-15 in de GSB

Veelgestelde vragen | Herpetofaunazones

Antwoord

De gedragsregels over herpetofaunazones gelden alleen als er beschermde amfibieën of reptielen in het betreffende natte bos of heideterrein aanwezig zijn. Is geen van de genoemde beschermde amfibieën of reptielen – genoemd in Bijlage B – aanwezig? Dan is er geen sprake van een herpetofaunazone en hoef je de betreffende gedragsregels niet te volgen. Van de drie groene kikkers die in Nederland voorkomen is bijvoorbeeld alleen de poelkikker beschermd. Voor de andere twee groene kikkers geldt een vrijstelling. Determinatie van de poelkikker versus de bastaardkikker en soms ook de bruine kikker is lastig. Schakel hiervoor specialistische kennis in als dat nodig is.

Zie hoofdstuk 9.4 maatregelen voor herpetofauna

Antwoord

In een zone van 350 meter rond voortplantingswateren waar beschermde amfibieën voorkomen gelden beperkingen voor boswerkzaamheden. Je mag daar jaarlijks op maximaal 5% van de totale bosoppervlakte groepenkap uitvoeren. Wanneer in een bos meerdere voortplantingswateren voorkomen, zullen de herpetofaunazones elkaar overlappen. In dat geval geldt de 5% regel – en de andere beperkingen – in het gehele bosgebied waar de zones liggen of elkaar overlappen. Voor uitkap, dunningen en hakhout gelden deze beperkingen niet. Wanneer sprake is van een beekloop door of langs een bos, check dan goed vooraf of beschermde amfibieën daarin voorkomen. Veel beschermde amfibieën geven de voorkeur aan stilstaande en visvrije geïsoleerde wateren en zul je daarom niet snel in stromende beken aantreffen. Raadpleging van de NDFF kan hier behulpzaam zijn.

Zie hoofdstuk 9.4 maatregelen voor herpetofauna

Antwoord

De GSB geeft aan dat ten alle tijden met tracks gewerkt moet worden in herpetofaunazones. De achterliggende reden is het zorgen voor zo min mogelijk bodembelasting en daarmee zo min mogelijk schade aan daar voorkomende beschermde soorten. In de praktijk zien we dat in bepaalde terreinen het werken met tracks juist tot meer verstoring en verdichting van de bodem leidt. De komende periode onderzoeken we in overleg met Ravon of een alternatieve gedragsregel mogelijk is, waarmee hetzelfde doel wordt bereikt.

Zie hoofdstuk 9.4 maatregelen voor herpetofauna

Antwoord

Elke bosbodem kent enige mate van reliëf, maar dat is niet wat met de maatregel in de GSB wordt bedoeld. Met name reptielen hebben behoefte aan zon- en schaduwplekken, liefst op korte afstand van elkaar. Walvormige structuren – zoals wildwallen (vaak gedegradeerd tot steilranden), grenswallen en zandheggen – zijn belangrijke elementen voor beschermde reptielen, daarom mag je daar niet overheen rijden. Denk bij kleinschalig reliëf dus niet in centimeters, maar in decimeters en groter.

Zie gedragsregel 22

Antwoord titel

Het is niet altijd mogelijk of wenselijk om geheel om langwerpige greppels heen te rijden, omdat je dan juist een veel groter gebied met materieel betreedt. Een mogelijkheid is om geoogst hout op 1 plek in de greppel te leggen. Door over dit hout te rijden, blijft de greppel zelf intact. Na afloop van de werkzaamheden kan je het hout uitrijden. Overleg altijd met de ecologisch deskundige wat de beste aanpak is.

Zie gedragsregel 22

Antwoord

Tenminste 70% van een herpetofaunazone mag niet bereden worden. Wanneer je met vaste dunningspaden werkt die 20m of 40m uit elkaar liggen, dan berijd je minder dan 30% van de herpetofaunazone en voldoe je aan de regel in de GSB.

Zie gedragsregel 22

Antwoord

In herpetofaunazones mag niet over kapvlaktes gereden worden. Als er een vast werkpad door een kapvlakte loopt, kan je wel van dat pad gebruik maken. Je kan dit pad beschouwen als een werkpad met aan weerszijden een kapvlakte. De kans dat er beschermde soorten aanwezig zijn op het pad is klein, omdat het pad al in gebruik is. Vraag de ecologisch deskundige om dit te checken. Daarnaast geeft in dit geval een nieuwe route rondom een kapvlakte meer schade dan het gebruik van het bestaande pad.

Zie gedragsregel 22

Antwoord

In Natura 2000 gebieden is het mogelijk om meer maatregelen uit te voeren als deze zijn opgenomen in een vastgesteld Natura 2000 beheerplan.

Veelgestelde vragen | Vellen van bomen

Antwoord

Bij acuut of korte termijn gevaar voor de veiligheid kan je de betreffende bomen per direct verwijderen. Er is dan normaliter sprake van overmacht in noodtoestand en de GSB is dan niet van toepassing. Wanneer het gaat om dode opstanden fijnspar die geen acuut gevaar opleveren, check dan eerst of er beschermde soorten voorkomen. Zo niet, dan hoef je de GSB niet te gebruiken. Als er wel beschermde soorten aanwezig zijn, dan kan je onder de GSB maximaal 0,5 hectare groepenkap toepassen. Als het nodig is om grotere oppervlakten te verwijderen, dan moet je daarvoor een ontheffing aanvragen bij het bevoegd gezag.

Subtitel antwoord

Suspendisse gravida eros non diam aliquam, ac blandit orci dignissim. Phasellus et neque volutpat, dictum dolor eget, faucibus eros. Nunc non nunc justo. Duis sed tellus id magna ultrices consequat eu quis urna. Morbi sodales ac diam scelerisque fermentum. Donec consequat massa ante, a scelerisque enim suscipit a. Etiam sed interdum justo.

Antwoord

Slechts voor een deel van de boswerkzaamheden gelden beperkingen bij de aanwezigheid van vermiljoenkever. In leefgebied van vermiljoenkever worden bijzondere keverbomen ontzien (gedragsregel 11). Voor de vermiljoenkever gaat het om staande of liggende dode bomen met schors, of nog levende bomen met dode zware takken met schors. De vermiljoenkever heeft een voorkeur voor populier, maar ook in een groot aantal andere soorten in niet te droge bossen kunnen ze aanwezig zijn. Ook in net omgezaagde dode bomen met schors kunnen zij zich vestigen. Vanaf 1 maart gaan volwassen kevers op zoek naar eiafzetplekken. De larven blijven minstens 2 jaar in het hout zitten. Daarom mag je in de periode 1 maart – 15 maart (twee weken voor de werkstop) gekapte boomstammen alleen nog afvoeren als ze korter dan 4 dagen in het bos liggen (gedragsregel 23). Daarna moeten ze in het bos achterblijven. Het is dus belangrijk om in bossen waar vermiljoenkever aanwezig is houtstammen direct af te voeren.

Zie gedragsregel 11 en 23

Antwoord

In de GSB staat dat schermkap wordt beperkt tot vlaktes van maximaal 2 ha per locatie. Na de eerste vellingsronde blijft een scherm met ten minste 15 m2 /ha grondvlak behouden. Wanneer het scherm daarna in verschillende vellingsrondes gefaseerd wordt teruggebracht, mag het grondvlak van het scherm tot tien jaar na de eerste vellingsronde niet kleiner worden dan 7,5 m2 /ha. Daarna gelden geen beperkingen meer ten aanzien van het scherm. Tijdens de verschillende vellingen in de tijd onder een overblijvend scherm moet zoveel mogelijk structuur en specifieke elementen ten behoeve van de bosgebonden flora en fauna worden behouden. Denk aan staand en liggend dood hout, variatie in grootte van open plekken en gesloten en open opstanden. Hoe het scherm er precies uitziet na de eerste vellingsronde is aan de beheerder.

Zie paragraaf 6.1

Antwoord

Machinaal opsnoeien van staande bomen is een van de boswerkzaamheden waar de GSB op van toepassing is. Het ringen van bomen valt hieronder. Een horstboom is een bijzondere nestboom. Deze mag je niet vellen en ook niet ringen. Ook de bomen die rondom de horstboom staan mag je niet vellen of ringen, om te voorkomen dat de horstboom zijn functie verliest. Binnen 50 meter van een bijzondere nestboom waarin zich een bewoond nest bevindt, worden geen vellingswerkzaamheden uitgevoerd. Als een nest bewoond is, mag je in deze zone dus ook niet machinaal ringen. Als een nest niet bewoond is, dan kan je in de 50 meter zone wel ringen, mits je de horstboom zelf en de bomen daaromheen spaart. Overleg altijd met de ecologische deskundige, omdat roofvogels ook buiten de broedperiode een nest kunnen gebruiken.

Zie gedragsregels 11 en 13

Antwoord

Binnen 50 meter van een bijzondere nestboom waarin zich een bewoond nest bevindt worden geen vellingswerkzaamheden uitgevoerd. Voor eekhoorn had deze regel alleen moeten gelden binnen de voortplantingsperiode. Omdat eekhoorns nesten ook in de winter bewonen, leidt deze regel nu tot problemen in de praktijk in bossen waar veel eekhoornnesten aanwezig zijn. Overleg in dat geval altijd met de ecologisch deskundige en het bevoegd gezag. In de komende periode onderzoekt VBNE in overleg met de zoogdiervereniging of voor de bescherming van eekhoorns een alternatieve gedragsregel mogelijk is.

Zie gedragsregels 13

Antwoord

Wat betreft kleine marterachtigen gaat de GSB ervan uit dat met het beschermen van holtebomen ook de eventuele verblijfplaatsen van kleine marterachtigen voldoende beschermd worden. Daarnaast zijn er beperkingen wat betreft schaal e.d. van bosbeheerwerkzaamheden, waarmee ook altijd voldoende fourageergebied aanwezig blijft. Daarmee blijven de essentiële onderdelen van het leefgebied van kleine marterachtigen in bossen behouden.

Antwoord

Onder de GSB mag je dit pad alleen gebruiken in de periode 1 juli t/m 1 december, daarbuiten moet je omrijden.

Veelgestelde vragen | Broedperiode

Antwoord

In de GSB wordt de periode 15 maart – 15 juli gehanteerd als broedperiode. In de broedperiode geldt een werkstop. In een vroeg of laat voorjaar, kunnen vogels eerder/later gaan broeden. In dat geval bepaalt de ecologisch deskundige tot wanneer je kan werken.

Zie bij de begrippen op bladzijde 7

Subtitel antwoord

Suspendisse gravida eros non diam aliquam, ac blandit orci dignissim. Phasellus et neque volutpat, dictum dolor eget, faucibus eros. Nunc non nunc justo. Duis sed tellus id magna ultrices consequat eu quis urna. Morbi sodales ac diam scelerisque fermentum. Donec consequat massa ante, a scelerisque enim suscipit a. Etiam sed interdum justo.

Antwoord

In de GSB is een lijst opgenomen met werkzaamheden die je het hele jaar door – dus ook tijdens de broedperiode – kunt uitvoeren. Van deze werkzaamheden is bepaald dat ze weinig verstorend zijn als je ze met gepaste zorgvuldigheid uitvoert, waardoor ze niet leiden tot overtreding van de verbodsbepalingen uit de Omgevingswet (voorheen Wet natuurbescherming). Het gaat om de volgende werkzaamheden die dus beperkt impact hebben – door geluid en betreding – tijdens de broedperiode:

  • uitvoeren van monitoring, inventarisatie en boomveiligheidscontrole;
  • houtmeting;
  • uitvoeren van toezicht en handhaving;
  • markeren van bomen (blessen), flora- en fauna-elementen, werkpaden en houtstapelplaatsen;
  • onderhoud aan weglichaam en berm van bospaden en -wegen;
  • handmatig rooien, kneuzen of breken van vegetatie, bijvoorbeeld met (elektrische) handzaag of schaar;
  • opsnoeien van staande bomen met handgereedschap;
  • aanplanten van bomen en struiken met handgereedschap;
  • afkorten en stapelen van stammen aan bospaden of -wegen;
  • plaatsen, wegnemen of onderhouden van recreatieve voorzieningen, zoals routepalen, informatieborden en banken;
  • plaatsen, wegnemen of onderhouden van afrastering;
  • plaatsen, wegnemen of onderhouden van preventiemiddelen tegen wildschade, zoals plantkokers.

Zie pagina 19 in de GSB

Antwoord

Handmatig aanplanten van bomen en struiken valt onder de werkzaamheden die je jaarrond mag uitvoeren. Machinaal planten is alleen toegestaan buiten de broedperiode.

Veelgestelde vragen | Rijdend materieel

Antwoord

Volgens gedragsregel 21 mag je niet rijden over zeldzame waardplanten van beschermde vlinders, zoals kamperfoelie en boswilg. Maak in overleg met de ecologisch deskundige de afweging of je hier overheen kan rijden op basis van de volgende vragen:

1) komen er beschermde vlinders voor in het bosgebied? Of bestaat de kans dat ze vanuit een aangrenzend gebied kunnen migreren? Dit zegt iets over het belang van de aanwezigheid van de waardplanten.

2) zijn de waardplanten zeldzaam in het betreffende bosgebied? Of komen de waardplanten algemeen voor? In het laatste geval kan je wel over het werkpad rijden.

Zie gedragsregel 20 en 21

Subtitel antwoord

Suspendisse gravida eros non diam aliquam, ac blandit orci dignissim. Phasellus et neque volutpat, dictum dolor eget, faucibus eros. Nunc non nunc justo. Duis sed tellus id magna ultrices consequat eu quis urna. Morbi sodales ac diam scelerisque fermentum. Donec consequat massa ante, a scelerisque enim suscipit a. Etiam sed interdum justo.

Antwoord

Bosmiernesten zijn officieel niet meer beschermd volgens de Omgevingswet (voorheen Wet natuurbescherming). Omdat beheerders ze wel willen beschermen is in de GSB opgenomen dat bosmiernesten ontzien moeten worden.

Zie gedragsregel 21

Antwoord

Deze regel gaat alleen over opslagplaatsen van top- en takhout en van houtchips.

Zie gedragsregel 24

Veelgestelde vragen | Bodembewerking

Antwoord

Onder de GSB kan je alleen bestaande onverharde recreatieve paden lokaal verleggen. Zoals het verleggen van een pad dat door een omgevallen boom niet meer begaanbaar is. Of het verleggen van een pad vanwege de nabijheid van burchten of andere verstoringsgevoelige habitats. Het aanleggen van nieuwe onverharde recreatieve paden kan niet onder de GSB plaatsvinden. Als bij de aanleg het risico bestaat dat je beschermde soorten beschadigd of verstoord, moet je een ontheffing aanvragen bij het bevoegd gezag. Dit geldt altijd voor verharde paden.

Zie gedragsregel 26

Antwoord

In de GSB staat dat bodembewerking in de vorm van klepelen of vergelijkbare methoden wordt beperkt tot de strooisel- en vegetatielaag. Het gaat dus om werkzaamheden in de strooisel EN vegetatielaag. Deze regel geldt niet voor het maaien van bospaden.

Zie gedragsregel 27

Antwoord

De 50% regel bij bodembewerking uit gedragsregel 27 geldt per locatie.

Zie gedragsregel 27

Veelgestelde vragen | Calamiteiten

Antwoord

Wanneer je werkzaamheden, zoals het vellen van houtopstanden of het ruimen van materiaal, niet kan uitstellen – omdat er acuut of op korte termijn gevaar is voor de openbare veiligheid of de volksgezondheid – dan kan je deze maatregelen direct uitvoeren. In deze situatie is de GSB niet van toepassing, maar is sprake van overmacht in noodtoestand. De omgang met beschermde soorten en toepassing van de GSB staat los van de kapmelding die je in het geval van vellingen bij de provincie moet doen. Als het mogelijk is om te wachten met vellen tot na het broedseizoen of de kwetsbare periode van vleermuizen dan heeft dat uiteraard de voorkeur, tenzij dit tot gevaarlijke situaties leidt. Ook is het soms mogelijk om het deel van de boom waarin de holte zit te sparen door deze bijvoorbeeld een meter boven de holte af te zagen. Neem bij twijfel contact op met het bevoegd gezag.

Zie Gedragsregel 28

Lees verder

Agenda

Effecten van stikstof op laagveen

Webinar

Ruimte voor zand

Veldwerkplaats

Werkgroep gedragscode bosbeheer

Gerard van Looijengoed (VBNE)
Erwin Al (Staatsbosbeheer)
Houdijn Beekhuis (Staatsbosbeheer)
Gerard Koophuis (Bosgroepen)
Berry Lucas (LandschappenNL)
Henk Siebel (Natuurmonumenten)
Renske Terhurne (Gelders Landschap)

E-learning

Hét e-learningplatform voor medewerkers en vrijwilligers van natuurorganisaties. In korte modules leer je meer over werken in de natuur.

Meer onderzoek naar natuur

Natuurkennis.nl is de
meest complete kennisbank
met onderzoek en
praktisch advies over
bos- en natuurbeheer.

Vraag over dit onderwerp?