In laagveengebieden is in de laatste jaren hard gewerkt aan natuurherstelmaatregelen zoals plaggen, begreppelen, aanleggen natuurvriendelijke oevers, aangepaste waterpeilen. Helaas leiden deze maatregelen niet altijd tot herstel, en soms is er zelfs een achteruitgang van de waterkwaliteit te zien. Om zowel de waterkwaliteit op peil te houden en de natuur te herstellen is het dus nodig om beter in beeld te brengen op welke wijze inrichtings- en herstelmaatregelen de ecologische waterkwaliteit beïnvloeden.
De resultaten van het onderzoek Eutrofiering bij natuurontwikkelingsprojecten zijn nu beschikbaar. Aan de hand van beschikbare informatie en data van een aantal casusgebieden, zijn een paar mechanismen beschreven en zijn algemene vuistregels opgesteld. In dit kennisuur gaan Jeroen Geurts (KWR Water) en Laura Moria (NMI) deze aan u presenteren. Winnie Rip, senior adviseur bij Waternet, reageert op de aanbevelingen: hoe kunnen we hier verder mee?
De onderzochte casusgebieden zijn: Bufferzone Naardermeer, Oostelijke Binnenpolder van Tienhoven, Kiersche Wieden, Schraallanden langs de Meije, Nieuwkoopse plassen.
Relevante mechanismen zijn onder meer:
– Toename van langdurig geïnundeerd oppervlak na plaggen en peilopzet.
– De totale uit- en afspoeling van water uit percelen neemt in veel gebieden af, maar het relatieve aandeel oppervlakkige afspoeling neemt toe.
– In gebieden met kwel neemt door peilverhoging en/of inundatie de kweldruk af.
– De mate waarin oevers voor en na de vernattingsmaatregelen begroeid zijn is bepalend voor het risico op erosie.
